N-VA-kamerleden Valerie Van Peel en Werner Janssen hebben in de Belgische kamer van volksvertegenwoordigers een wetsvoorstel ingediend, om alle winkels in Vlaanderen (en Wallonië) de “mogelijkheid” te geven tot 21u open te blijven en tegelijkertijd om de verplichte sluitingsdag af te schaffen. De afschaffing van de koopvrije zondag is al sinds jaar en dag een van de wensdromen van alles wat liberaal is, wat er trouwens voor gezorgd heeft dat de wetgeving op de koopzondagen de afgelopen jaren al ernstig werd afgezwakt. Het heeft er mede toe bijgedragen dat de kernsteden als Brussel en Gent er iedere dag wat meer uitzien als shoppingcentra i.p.v. leefruimten. Gezien de ideologische ontwikkeling die de N-VA onder het voorzitterschap van De Wever heeft ondergaan, is het niet verwonderlijk dat de eis tot afschaffing ervan door deze partij wordt overgenomen.

 

De handelaars zelf lijken echter niet zo opgezet met de vrijheid die men hun zo gul wil geven. Ook Unizo – anders toch bezwaarlijk een stem die kritisch is ten aanzien van het consumentisme – is er niet voor te vinden. Niet verwonderlijk: zijn achterban weet drommels goed dat dit voorstel niet op maat is van de Vlaamse lokale handelaar of zelfs maar van de kleinere winkelketens. In de concurrentieslag versterkt dit immers alleen maar de positie van de grote, internationale ketens.

Wanneer die hun winkels laat of op zondag openen, zijn de anderen immers in de feiten ook verplicht op die ogenblikken klanten te ontvangen. Onder het mom de vrijheid van de koopzondag in te voeren, wordt er eigenlijk een verplichting tot koopzondag ingevoerd. Dat kunnen winkels maar op een beperkt aantal manieren bolwerken:

zelfstandigen zonder personeel kunnen er natuurlijk voor kiezen zelf langere uren te werken en geen vrije dag meer te nemen, met alle gevolgen voor hun levenskwaliteit van dien;

de winkels kunnen extra personeel aannemen. Maar dat is natuurlijk iets wat in de huidige economische logica gemakkelijker ligt bij een bedrijf dat megawinsten maakt dan voor een een buurtwinkel. Er is bovendien geen echte reden om aan te nemen dat de inkomsten zelf noemenswaardig zullen stijgen: de klanten zullen hun aankopen wat meer spreiden, maar daarom nog niet meer kopen;

tot slot kunnen de personeelsleden natuurlijk ook tegen hetzelfde (reële) loon meer uren presteren, d.w.z. tegen een lager uurloon werken. Dat is vermoedelijk een oplossing die binnen de liberale kringen op sympathie zal kunnen rekenen, maar kan moeilijk een aantrekkelijk perspectief zijn voor de meeste Vlamingen – nog los van de bedenking zelfs zeer brave keynesianen weten dat dit geen houdbaar koopkrachtbeleid is.

Kortom, het voorstel zou het concurrentievoorstel van het internationale grootkapitaal enkel maar verscherpen – die spelers die nu ook al het gemakkelijkste inspelen op de opkomst van e-commerce, nochtans een van de officiële drijfveren achter dit voorstel. Tot zover dus het verhaal over de verankering van de lokale ondernemingen …

 

Niettemin zal en deel van de Vlaamse bevolking ontvankelijk zijn voor dit voorstel – de N-VA zou dit ook niet voorstellen mocht ze niet vermoeden dat dit electoraal kan lonen. In onze jachtige maatschappij is het immers voor heel veel mensen – in het bijzonder werkende alleenstaanden en tweeverdieners, zeker buiten de stadskernen – een helse klus om na de werkuren of in de zaterdagse ‘heldentocht door de file’ op de steenweg nog even snel inkopen te gaan doen, en dan nog tijd te hebben voor een gezin of een sociaal leven. Voor hen klinkt het perspectief om over een extra dag voor inkopen te beschikken natuurlijk aantrekkelijk. Maar in werkelijkheid zou het niets anders doen dan het carcan van de 24u-op-24-economie nog wat meer aanspannen – een hele week lang in het teken van werken en consumeren. En meestal: in de auto zitten.

 

Dit kan dus niet het antwoord op dit probleem zijn. Veeleer moeten we gaan naar een ander economisch model, waarin mens en natuur centraal staan en dat gebaseerd is op lokale productie en handel en korte ketens. Dit behelst in eerste instantie o.m. dat er komaf wordt gemaakt met het taboe van de arbeidsduurvermindering, maar ook van een ruimtelijke ordening die de autoafhankelijkheid tegengaat en waarin winkels op wandelafstand zo veel mogelijk op wandelafstand liggen van de dorpen en wijken. Het betekent ook het afschaffen van de voordelen en cadeaus waar multinationals een beroep op doen, het onaantrekkelijker maken van pakketjeshandel wanneer niet nodig en een ronduit verbod op economisch ageren voor e-commercebedrijven die de sociale en syndicale rechten met de voeten treden, het bevoordelen van plaatselijke coöperatieven en het in vraag stellen van het dogma van de internationale vrijhandel. Alleen een dergelijke benadering houdt rekening met de ecologische en sociale draagkracht van Vlaanderen en biedt een perspectief op Vlaamse economische soevereiniteit op langere termijn.